DE ROEP VAN DE GROTE MOEDER

 

In de zomer van 2008 nam ik deel aan een wandeling van Theo de Cock in Ranst in het zeer krachtige gebied van de zeven heuvelen aldaar. (Een aanrader!) Op een bepaald moment vroeg hij of we ons wilden verbinden met een boom en via deze boom in contact te komen met de eerste van zijn soort op Aarde. We bevonden ons op een plek met prachtige grote beuken en berken maar ik koos voor een heel kleine lijsterbes die mijn aandacht trok. Er was onmiddellijk een warm contact op hartsniveau en ik vroeg naar de eerste van zijn soort op onze planeet. Daarop kreeg ik het beeld van een donkere, zeer oude boom die een hart leek te hebben van paars violet licht dat me onmiddellijk opnam in zijn gloed. Dit opende mij op diep niveau en ik vroeg vervolgens of hij een boodschap voor me had. Wat hij communiceerde was:

“Voor ons boomwezens is er nooit iets verandert sinds het begin der tijden, nog altijd bezingen wij met heel ons wezen het Lied der Schepping, waarom kunnen jullie niet zelfde doen?”

Het was een emotionele ontmoeting met deze oude lijsterbes die me een deelgenoot maakte van een grote waarheid, namelijk dat we niet meer op gevoelsniveau communiceren met de natuurlijke wereld waardoor we afgescheiden leven van de Grote Moeder. Het beeld dat opkomt als ik dit schrijf is: stel je voor dat er een oude vrouw in je huis leeft, een grootmoeder die je zorg nodig heeft, maar je verkiest bewust of onbewust niet voor haar te zorgen, haar in plaats daarvan voortdurend te negeren. Een onhoudbare en onnatuurlijke situatie uiteraard maar toch weerspiegelt het hoe we met het wezen van de Aarde omgaan: we zijn blind en doof geworden voor de Roep van de Grote Moeder, we leven naast haar in plaats van met haar.

Een van de grootste oorzaken hiervan is waarschijnlijk het hoog technologische karakter van de wereld waarin we leven. Als we niet met ons handen in de aarde hoeven te zitten om ons voedsel te verbouwen, als we geen zorg moeten hebben voor het brandend houden van de haard, als het water gewoon uit de kraan komt, en we ons geen vragen stellen over de lucht die we inademen leven we afgescheiden van de elementen waaruit we, net als de Aarde, zijn opgebouwd. Er is geen reden meer deze elementen te eren, we nemen hun beschikbaarheid voor ons als kennisgeving aan. Ook zijn we vergeten dat de Aarde en wijzelf door die elementaire verwantschap familie zijn, we zijn elkaars ‘vlees en bloed’. Zij is simpelweg onze oudste Grootmoeder maar we zijn haar gezicht vergeten, herkennen haar niet meer als zodanig, een tragische situatie omdat we niet zonder elkaar kunnen als het erop aankomt.

 Toch toont de Aarde ons voortdurend haar gezicht, in ontelbare gedaanten nog wel. Ook spreekt zij tegen ons in ontelbare stemmen, maar onze zintuigen zijn afgestompt geraakt, we zien, horen, voelen, en ruiken haar niet echtmeer. Zij is de oude dame geworden die toevallig in hetzelfde huis leeft maar waar we al zo lang niet naar hebben omgekeken dat ze ons eigenlijk niet veel meer doet. Haar terug te (h)erkennen als familie is het begin van de weg terug. Ik pleit er niet voor terug te keren naar tijden die voorbij zijn, of het verleden te verheerlijken waarin de Grote Moeder wel een plek had. Al wat we hoeven doen is regelmatig op een rustige plek in de natuur waar we ons goed voelen te vragen: “Moeder wat kan ik vandaag voor u doen?”

Het antwoord kan op vele manieren komen en ons waarschijnlijk versteld doen staan vanwege de eenvoud ervan. Op deze wijze kunnen we stukje bij beetje terug een relatie opbouwen met haar en kunnen we uiteindelijk als mens en als mensheid weer een waardig onderdeel van het Lied der Schepping zijn.

Marije Broersen

2008